Nederlandse kinderopvang in internationaal perspectief: concurrentie en het zoek naar kwaliteit

In Nederland is de kinderopvang al jaren een centraal thema in het maatschappelijke en politieke debat. Het huidige model, dat grotendeels gericht is op vraagfinanciering en marktmechanismen, heeft geleid tot een versnipperd landschap van aanbieders en een systeem dat vaak wordt aangemerkt als duur en ontoegankelijk. Internationaal gezien lijkt Nederland steeds vaker achterop te raken in vergelijking met landen zoals Duitsland en Italië, waar een sterke publieke rol bij de kinderopvang leidt tot bredere toegang, hogere kwaliteit en een meer educatieve richting. In dit artikel wordt ingegaan op de rol van concurrentie binnen de Nederlandse kinderopvang, de gevolgen ervan en mogelijke alternatieven op basis van internationale modellen.

Concurrentie en de Nederlandse kinderopvang

De Nederlandse kinderopvang is sinds de eeuwwisseling sterk geïnstitutionaliseerd in een systeem dat centraal is gericht op vraagsubsidiëring via toeslagen. Politici hoopten dat dit marktmodel zou leiden tot innovatie en kwaliteitsverbetering. Echter, onderzoek toont aan dat het huidige systeem kostbare tijd heeft verloren en dat het versnipperde marktmodel onvoldoende basis biedt voor een educatieve omslag. De concurrentie tussen opvanginstellingen leidt niet automatisch tot een hogere kwaliteit, maar juist tot een versnippering van het educatieve aanbod en een afwezigheid van coördinatie.

Het model van concurrentie en ondernemersvrijheid heeft bovendien gevolgen voor de lokale betrokkenheid en regionale trots. Private financiering in de schaduw van centrale controle stimuleert niet de lokale ontwikkeling, waardoor de kinderopvang in Nederland minder gericht is op de specifieke behoeften van jonge kinderen en hun sociale omgeving. In vergelijking met landen als Duitsland en Italië, waar kinderopvang vaak als een centrale educatieve voorziening wordt gezien, lijkt Nederland te worstelen met het creëren van een samenhangend educatief traject voor jonge kinderen.

Internationale modellen en alternatieven

Duitsland: een betaalbaar en sociaal model

In Duitsland is een ander beleidskader ontwikkeld dat sterk is gericht op sociale rechtvaardigheid en bredere toegang tot kinderopvang. In 2008 introduceerde minister Annegret Kramp-Karrenbauer (toen minister van Familie, Senioren, Vrouwen en Jeugd) een opvanggarantie voor elk kind. Gemeenten kregen vijf jaar om de capaciteit uit te breiden met extra middelen. Wie niet bij een publieke instelling terecht kon, kreeg subsidie om opvang zelf te regelen. Hierdoor ontstond een model waarin de kinderopvang niet louter gericht was op vraagfinanciering, maar op bredere toegang en investering in educatieve kwaliteit.

Het Duitse model is gekenmerkt door een geringe rol van marktmechanismen. Slechts ongeveer drie procent van de kinderopvang in Duitsland is op winst gericht. Daarnaast speelt gastouderopvang geen rol in de publieke financiering. De Duitsers hebben ervoor gekozen om de kinderopvang te verankeren in de gemeentelijke educatieve infrastructuur, waardoor het model beter aansluit bij de bredere educatieve doelen.

Italië: lokaal en sociaal

In Italië zijn er ook voorbeelden van hoogwaardige kinderopvang die niet op marktmechanismen zijn gebaseerd. De stad Reggio Emilia in het noorden van Italië is een bekend voorbeeld van een lokaal beleidsmodel dat zich richt op de belangen van het kind en het stimuleren van zelflerend gedrag. Sinds de jaren zeventig heeft het lokale bestuur in Reggio Emilia een educatieve visie ontwikkeld waarin het kind centraal staat. Dit model is internationaal erkend en wordt vaak als een inspiratiebron gezien voor landen die hun kinderopvang willen verbeteren.

Hoewel Italië als land op veel indicatoren slechter scoort dan Nederland, tonen dergelijke lokale modellen aan dat een educatieve en lokaal georiënteerde aanpak kan leiden tot hogere kwaliteit en bredere toegang. In tegenstelling tot het Nederlandse model, dat vaak gericht is op concurrentie en individuele keuzevrijheid, is de benadering in Reggio Emilia meer gericht op samenwerking, coördinatie en het creëren van een educatieve omgeving die gericht is op de langdurige ontwikkeling van jonge kinderen.

De Nederlandse praktijk in een internationaal perspectief

De internationale context benadrukt het feit dat de Nederlandse kinderopvang niet automatisch leidt tot kwaliteitsverbetering via concurrentie. In tegenstelling tot landen zoals Duitsland en Italië, waar kinderopvang sterk verankerd is in de publieke sector en als een essentiële onderdeel van de educatieve keten wordt gezien, is de Nederlandse aanpak minder gericht op langdurige educatieve doelen.

Onderzoek wijst uit dat de voorschoolse educatie in Nederland momenteel grotendeels gericht is op kinderen met een bewezen taalachterstand. Echter, tal van instituten adviseren al jaren om de kinderopvang om te vormen tot een algemene educatieve voorziening. Een educatieve voorschoolse voorziening zou niet alleen economische meerwaarde opleveren, maar ook helpen om de deeltijdcultuur in Nederland door te breken. Momenteel werken er in Nederland relatief veel vrouwen in deeltijd, terwijl kinderen relatief weinig uren per week naar de opvang gaan. Dit zogenaamde deeltijd-equilibrium kan volgens onderzoek slechts doorbroken worden door een serieuze omslag naar een kwalitatief hoogstaande vroegschoolse educatie.

De rol van het beleid en de toekomst

Het huidige beleid in Nederland lijkt echter gericht op diversiteit, keuzevrijheid en marktconcurrentie als instrumenten voor innovatie en kwaliteit. De nadruk op marktmechanismen en vraagfinanciering heeft geleid tot een versnippering van het aanbod en een afwezigheid van coördinatie. Hierdoor ontbreekt het aan een samenhangend educatief traject dat gericht is op de langdurige ontwikkeling van jonge kinderen.

In het debat in de Tweede Kamer is er weinig aandacht voor het creëren van een bredere educatieve visie. In plaats daarvan wordt er gefocust op diversiteit en keuzevrijheid van ouders, terwijl de educatieve doelen en kwaliteit van de opvang op de achtergrond blijven. In dit perspectief lijkt het Nederlandse beleid minder gericht op het creëren van een kwalitatief hoogstaande vroegschoolse educatie, maar eerder op het behoud van het huidige systeem.

Conclusie

De Nederlandse kinderopvang is momenteel gekenmerkt door een systeem dat sterk is gericht op vraagfinanciering en marktmechanismen. Hoewel de politiek oorspronkelijk hoopte dat dit model zou leiden tot innovatie en kwaliteitsverbetering, tonen onderzoeken aan dat het huidige systeem kostbare tijd heeft verloren en dat concurrentie niet automatisch leidt tot hogere kwaliteit. In vergelijking met landen zoals Duitsland en Italië, waar kinderopvang centraal staat in een educatieve visie en verankerd is in de publieke sector, lijkt Nederland achterop te raken.

Een educatieve omslag van de kinderopvang naar een kwalitatief hoogstaande vroegschoolse educatie zou niet alleen economische meerwaarde opleveren, maar ook helpen om de deeltijdcultuur in Nederland door te breken. Daartoe is echter een sterke publieke rol en een gerichte educatieve visie nodig. In het huidige beleid ontbreekt het aan een dergelijke visie, waardoor het huidige systeem minder gericht is op langdurige educatieve doelen en meer op marktmechanismen.

Het internationale perspectief benadrukt dat er alternatieven zijn voor het huidige model. Door te kijken naar landen zoals Duitsland en Italië, kan Nederland leren hoe een educatieve en publieke aanpak kan leiden tot bredere toegang, hogere kwaliteit en langdurige ontwikkelingsvoordelen voor jonge kinderen.

Bronnen

  1. Nederland zou moeten experimenteren met publieke kinderopvang
  2. Kinderopvang in kaart
  3. Internationale kinderopvangstelsels in kaart

Gerelateerde berichten