De kinderopvang speelt een essentiële rol in de ontwikkeling van jonge kinderen en in het ondersteunen van ouders bij het combineren van werk en zorg. In Nederland is de kinderopvang onder reglementaire toezicht van de Wet kinderopvang (Wko) en het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang (Bko). Deze regelgeving stelt eisen aan kwaliteit, veiligheid en professionaliteit in de kinderopvangsector. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de relevante richtlijnen, kwaliteitsnormen en organisatorische regelgeving op basis van recente en betrouwbare bronnen.
Regels en bevoegdheden rondom het BKO
Het Besluit landelijk register kinderopvang (Bko) regelt het registratieproces van kindercentra en gastouderbureaus, evenals het beheer van het personenregister kinderopvang. Deze registratie is essentieel voor de wettelijke erkenning van kinderopvangverleners en voor de toezichtsfunctie van de GGD. Op grond van het Bko worden ook wijzigingen in registratiegegevens of verwijderingen geregeld.
In gemeente Laren is in 2020 een mandaat- en machtigingsbesluit genomen dat de Directeur publieke gezondheid van GGD Gooi en Vechtstreek bevoegd stelt tot het besluiten op aanvragen tot exploitatie van kindercentra en gastouderbureaus. Dit omvat ook het registreren van deze instellingen in het landelijk register kinderopvang (LRK) en het muteren van registratiegegevens in het LRK. De bevoegdheden zijn verder uitgewerkt in artikel 1.46 t/m 1.47a van de Wet kinderopvang en artikel 6 t/m 8 van het Bko.
Het besluit bepaalt ook dat bepaalde aspecten, zoals het beslissen op bezwaren of rechtsmiddelen tegen een besluit genomen in mandaat, niet onder het mandaat vallen. Dit benadrukt het belang van een duidelijke scheidingslijn tussen de uitvoering van registratiebevoegdheden en juridische aspecten die daarbuiten vallen.
Kwaliteitsnormen en voorschoolse educatie
Naast juridische en registratieaspecten is kwaliteit van centrale belang in de kinderopvang. Het Besluit kwaliteit kinderopvang legt uitgebreide eisen vast aan het gedrag van medewerkers, de begeleiding van kinderen en de stimulering van ontwikkeling. Deze normen zijn bedoeld om te zorgen voor een veilige en leerzame omgeving voor jonge kinderen. De normen omvatten bijvoorbeeld het aanbieden van een structuur en grenzen, het respecteren van autonomie en het stimuleren van sociale, cognitieve en motorische vaardigheden.
In het kader van voorschoolse educatie (VE) zijn er sinds 1 januari 2021 nieuwe eisen opgesteld. Kindercentra die subsidie ontvangen van de gemeente voor het aanbod van voorschoolse educatie aan kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar moeten minimaal 960 uur per jaar aanbieden. Bovendien mag er per dag maximaal 6 uur VE worden aangeboden. Deze regeling dient om zowel kwaliteit als beschikbaarheid van het aanbod te waarborgen.
Personenregister en kwalificaties
Een ander belangrijk aspect van het Bko is het personenregister kinderopvang. Vanaf 1 januari 2021 is het verplicht dat personen die structureel aanwezig zijn op een kindercentrum of op een andere locatie waar kinderopvangactiviteiten plaatsvinden, zich inschrijven in het personenregister. Dit betreft niet alleen medewerkers, maar ook bezoekende medewerkers of externe professionals die regelmatig op de locatie aanwezig zijn.
In het kader van deze regeling moet men een Vrijheid om te Gamen (VOG) aanvragen en deze koppelen aan een kinderopvangorganisatie. De Denklijn personenregister van SZW en GGD GHOR bevat voorbeelden van situaties waarin een VOG nodig is of niet. Deze lijn helpt verleners bij het bepalen of een persoon in het register moet worden opgenomen.
Naast deze registratie zijn er ook nieuwe eisen voor de kwalificatie van pedagogisch medewerkers. Per 1 februari 2021 is de kwalificatie-eis uitgebreid, wat betekent dat pedagogisch medewerkers aan extra kwalificatievoorwaarden moeten voldoen. Deze wijzigingen zijn verwerkt in de eerstvolgende wijziging van de Cao Kinderopvang.
Kwaliteit en veiligheid in de praktijk
De praktijk van kinderopvang is sterk gericht op veiligheid en emotionele betrokkenheid. Zoals beschreven in het Besluit kwaliteit kinderopvang, is het essentieel dat kinderen op een sensitieve en responsieve manier worden begeleid. Medewerkers moeten grenzen stellen en structuur bieden, zodat kinderen zich veilig en geborgen voelen. Ook is het belangrijk om kinderen uit te dagen op een speelse manier, bijvoorbeeld in de ontwikkeling van motorische, cognitieve en taalvaardigheden.
Daarnaast wordt nadruk gelegd op sociale interactie en het opbouwen van relaties. Medewerkers moeten kinderen begeleiden in hun sociale contacten en hen leren omgaan met normen en waarden in de samenleving. Dit helpt bij de sociale ontwikkeling van kinderen en voorziet hen in de vaardigheden die nodig zijn om later beter te functioneren in een maatschappij.
Samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs
De relatie tussen kinderopvang en onderwijs is een onderwerp van discussie in de branche. Volgens bepaalde visies zou kinderopvang een zelfstandige plek moeten innemen in het onderwijslandschap, op basis van gelijkwaardigheid en een level playing field. Anderen zien kinderopvang als een onderdeel van het onderwijs, met een integrale aanpak en collectieve financiering. Deze visies beïnvloeden ook de manier waarop kinderopvang en onderwijs samenwerken, zowel inhoudelijk als fysiek.
In veel gevallen zijn kinderopvangen en scholen fysiek dicht bij elkaar gevestigd, wat samenwerking faciliteert. De samenwerking kan voordelen opleveren voor kinderen, ouders en medewerkers. Het is echter niet verplicht, en de intensiteit van samenwerking hangt af van de specifieke situatie van de instellingen.
Investeren in kinderopvang
Kinderopvang speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van kinderen en in de maatschappelijke participatie van ouders. Het is daarom belangrijk dat het stelsel van kinderopvang betaanbaar is en goed gereguleerd. In sommige visies wordt gesproken over een systeem waarin kinderopvang gratis is voor alle kinderen of ten minste voor de laagste inkomensgroepen. De financiering zou dan vergelijkbaar zijn met het onderwijs, met een lumpsum of een dekkend uurtarief.
Het huidige stelsel is een hybride systeem, waarin zowel profit als non-profit aanbieders actief zijn. Voor een duurzame toekomst is het belangrijk dat dit stelsel stabiel is en dat kwaliteit en continuïteit centraal staan. Transitieplannen met een lange termijn visie (10-12 jaar) worden gezien als essentieel om het systeem te verbeteren zonder het in gevaar te brengen.
Conclusie
De kinderopvangsector in Nederland wordt sterk beïnvloed door regelgeving zoals het Bko en de Wet kinderopvang. Deze regelgeving stelt eisen aan registratie, kwaliteit en professionaliteit. Tegelijkertijd is er een groeiende focus op de kwaliteit van de begeleiding van kinderen, de samenwerking met het onderwijs en de financiering van kinderopvang. Het is van belang dat zowel kinderopvangverleners als ouders en beleidsmakers zich richten op deze richtlijnen om te waarborgen dat kinderen in een veilige, leerzame en emotioneel stabiele omgeving groeien.
Het huidige stelsel kent uitdagingen, maar ook kansen. Door samenwerking, investeringen en duidelijke richtlijnen kan de kinderopvangsector verder ontwikkeld worden naar een stelsel dat zowel voor ouders als voor kinderen betaanbaar en betrouwbaar is.